“Oosterhoutse hondeneigenaar genept door Brabantse fokker”

Pipa - Princess of the Highlands
Foto: Rolf Wennekes

[INGEZONDEN STUK] “Ze ligt in mijn armen. Slap en willoos. Zo ontspannen heb ik haar niet eerder gezien. Ik druk haar zacht tegen me aan. Aan haar snorhaartjes zie ik dat ze zacht ademt via haar zwarte hartvormige neusje. Ik voel haar warmte door de mouwen van mijn jas heen. Als ik opsta om haar op een zacht kleedje te leggen, kantelt haar hoofdje slap in de kom van mijn elleboog. Haar gezichtsspieren zijn verslapt. Ze krijgt plots iets menselijks over zich heen. De jonge vrouwelijke dierenarts scheert een plekje vrij op haar rechter voorpootje. Het lichtroze velletje komt tevoorschijn, waarin de dierenarts een infuusnaaldje plaatst. ‘Daar gaat ze…’, zegt de arts zacht en liefdevol en ze dient de injectie toe. Binnen enkele seconden is ze niet meer, en in nauwelijks een halve minuut constateert de arts dat het hartje is opgehouden met kloppen.”

door Rolf Wennekes

“Samen met H. – mijn vrouw – haast ik me de dierenkliniek uit. Buiten, in de druilerige donkere namiddag barst ik in janken uit en H. loopt snikkend naast mij mee naar de auto. Woordeloos rijden een lege avond in, op weg naar huis.

Pipa – een witte wollige pluizenbol van amper vijf maanden. Het schattigheidsgehalte druipt er in stromen vanaf als we haar drie weken eerder ophalen bij een soort hondensupermarkt in Diessen. Misschien is het puppyverblijf wel een omgebouwde Brabants varkensstal: een langgerekte lage hal met aan weerskanten ruime hokken vol jankende, kwispelende pups, per soort gesorteerd, als in kratten uitgestalde groente en fruit in een supermarkt. Ze springen smekend op tegen de hekken als we langslopen, helemaal naar achter in de stal. De jonge hondenverkoopster laat er geen gras over groeien, ze handelt snel en drukt mijn vrouw een West Highland terriër van zestien weken in de arm. Onze aandacht is meteen geabsorbeerd. Voor even vergeten we alles om ons heen – de urinegeur, het gejank en hoge geblaf uit honderd puppykeeltjes. We zijn verkocht. Mijn vrouw sluit de Westie liefdevol in haar armen. Alleen het eigenwijze koppie met de gespitste oortjes steekt er nog uit.

Eerder die dag bellen we de Diessense hondenfabriek. Op het internet hadden we gelezen dat een fokker in Diessen, iets ten zuiden van Tilburg, een nestje Westies aanbod – voor ons twintig minuten rijden. Tijdens het telefoongesprek blijkt al snel dat ‘komen kijken’ geen optie is. “Vóór 17 uur besteld, morgen in huis…” Maar dit gaat sneller. Als in een fuik zonder terugweg worden we het slachtoffer van onze eigen gretigheid. Op deze menselijke zwakte speelt de fokker handig en efficiënt in. Wie kan in deze dagen al echt goed omgaan met emoties. Als in een achtbaan stuwen we onszelf op tot het hoogste punt. De rest gaat dankzij de vrije val vanzelf.

De impulsiviteit van onze beslissing eerder die dag weerhoudt mij ervan om op het internet op zoek te gaan naar reviews – beoordelingen van andere ‘consumenten’ (na een onderzoek achteraf vallen ons de schellen van de ogen). H. zei jaren geleden al dat ze liefst een Cesar-hondje had. Jarenlang stond er een gipsen Westie bij onze voordeur, met ‘WELKOM’ op een bordje, dat het hondenbeeldje aan een kettinkje in zijn bek hield. Eerdere honden hadden ons al veel levensplezier en levendigheid gegeven. We wisten waar we nu aan begonnen.

Onze aanwinst zien we bijna als gezinsuitbreiding en vrienden feliciteren en laten ons weten weldra op kraamvisite te komen. Er wordt een passende bench aangeschaft, waar ik een ombouw omheen timmer, zodat ‘ons’ Pipa een rustig plekje heeft. Er komt een warm hondenmandje in te staan, wat speeltjes en een krant voor mogelijke ontlasting. Een zware zak puppy-voeding, een speels tandenborsteltje, piepende kleine tennisballetjes en andere bijtspeeltjes, oogdoekjes, hondenshampoo, een mini-tuigje en halsbandje maken de babyuitzet volledig – en natuurlijk een verzekering.

Pipa schiet met de dag diepere worteltjes in onze harten. Meerdere malen per dag halen we haar uit de bench. Ze strekt haar wollige pootjes, geeuwt met krullend tongetje van roze marsepein, waggelt of huppelt naar onze tuin. En dan begin het speelkwartiertje. Buiten hurkt ze op haar achterpootjes en laat een klein plasje na. Op het gras maakt ze bokkensprongetjes in 180 graden bochten, bolt haar ruggetje, balanceert op voor- en achterpootjes en produceert kleine vaste sigaartjes (al die schattige verkleinwoordjes…). We hopen dat ze op deze manier snel zindelijk wordt.

Ze volgt ons op de voet. We roepen elkaar toe: ‘Achter je…!’ opdat we niet per ongeluk op haar trappen, als reuzen boven haar uittorenend. Met haar naaldentandjes prikt ze voorzicht in onze vingers en handen. In een korte badsessie spoelen we de naar urine ruikende kennelgeur uit haar donzige vachtje. Als vierpotige soortgenoot snuffel ik door haar opgedroogde vacht over rug en buikje en snuif vertederd de frisse hondengeur op. Ik til haar hoog op als aanstaande Lion Queen.

Ze loopt huppelend achter gele balletjes aan. Ze lijkt wel een mini-ijsbeertje, en als ze met haar neus het balletje voor zich uitduwt om er vervolgens met een sierlijk boogje op te springen lijkt ze op een kitten die schik heeft in haar spel. Haar spel is steeds van korte duur. Ze houdt zich plotseling in, gaat op haar kontje zitten, oortjes naar achter, en ademt door haar mond – iets wat we al eerder hadden bemerkt. We geven er geen aandacht aan, in de veronderstelling dat het te maken heeft met gewenning aan haar nieuwe leefomgeving en dus vanzelf weer overgaat.

Op het eerste consult meldt de dierenarts dat dit happen naar lucht wel voorkomt. Het heeft te maken met de afsluiting van de luchtpijp. We moeten haar laten slikken, dan gaat ze weer normaal ademen. Als die hijgmomenten weer optreden, vorm ik met mijn armen een kommetje waar ze inkruipt. Weggedoken en tegen mij aan komt ze, met haar hoofdje op mijn ellenboog, tot rust en weer op kracht. Over mijn borst krabt ze zich met haar voorpootjes omhoog naar mijn gezicht en likt mijn neusgaten en ooghoeken, misschien geobsedeerd door ziltigheid. Op andere momenten likt ze vol onvoorwaardelijke overgave langdurig onze vingers en handpalmen.

Drie dagen geleden komt H. van boodschappen doen thuis. Pipa is in alle staten van blijheid, kan haar enthousiasme niet in toom houden. Op volle snelheid kwispelend springt ze tegen H. op, huppelend op haar achterpootjes. Ook de boodschappentas wordt uitbundig begroet. Dan zakt Pipa door haar pootjes. Ze valt op haar zij. Piepend, bijna jankend, hapt ze naar lucht. Ze snákt naar adem. Haar hartje raast in haar borstkas. H.’s hart verscheurt en ik raak ontzet. Even later komt Pipa buiten en in mijn armen weer enigszins op adem en hervat ze iets van haar puppy-achtige speelsheid.

Als de volgende dag de momenten van ademnood bij Pipa sterk toenemen, maken we een afspraak bij de dierenarts. Binnen een kwartier zitten we met haar in de wachtkamer. Alles lijkt haar nu in staat van alarm te brengen. Zelfs aan mijn armen begint ze zich nu te ontworstelen. De dierenarts luistert naar haar hartje en constateert een ruis, iets wat haar eerder niet was opgevallen. Ze stelt voor om Röntgenfoto’s te maken en geven Pipa mee naar de Röntgenkamer.

H. en ik zijn radeloos. Na zo’n tien minuten brengt de assistente – ze draagt haar lange loden schort nog die tot de grond rijkt – een trillende en hijgende pup terug en worden we gevraagd om mee te komen naar de Röntgenkamer. De dierenarts – ook zij heeft de beschermende schort nog om – heeft twee grote zwartwit dia’s op een lichtbak geklemd, een van Pipa’s linkerzijkant, de andere vanuit haar rug gemaakt. ‘Wat we op deze foto’s zien, is vocht bij de longetjes.’ Ze wijst op een lichtgrijs gebied rondom de longkwabben. En ze wijst op het hart dat tussen de longen ingeklemd lijkt te zitten, of andersom: de longen lijkt te verdringen. ‘Het hart is, naar verhouding, veel te groot.’

Zonder verdere conclusies te trekken, keren we terug naar de behandelruimte. Ik weet even niet wat ik moet zeggen, maar begin te begrijpen dat Pipa zware en beangstigende benauwdheden ondergaat. Dat haar hartje overuren maakt om het tekort aan zuurstof te compenseren. Dat ze naar adem snakt, puur om te overleven, zo goed en zo kwaad als het kan.

De dierenarts leest aan ons onze ontzetting af. Ze praat, ook nu, vanuit haar invoelingsvermogen. ‘Ik heb mijn twijfels over de fokker. Ze is geboren in Hongarije. En wat die Diessense tussenhandel uitspookt, weet ik niet.’ Meer breng ik niet uit. De dierenarts knikt begripvol. Zonder één woord beaamt ze met dit gebaar haar afkeur voor de inmiddels ook bij ons bekende vermaledijde, walgelijke, mens- en dieronterende fokpraktijken van broodfokkers.

‘Ik kan rondbellen om te kijken of ze kan worden opgenomen. Ze moet aan de beademing en dan kan er morgen een echo van het hartje worden gemaakt. Hier hebben wij daar helaas geen mogelijkheden voor.’ Hallo, medische circus! ‘Een behandeling is mogelijk. Of het wenselijk is, is een andere vraag, want het zal nooit echt meer goedkomen.’

H. en ik laten haar woorden op ons inwerken. Opties die geen opties zijn en uitgesloten worden: hondenherplaatsing… – terugbrengen naar de broodfokker in Diessen (over mijn lijk!). Door een caleidoscoop van tegenstrijdige gevoelens kijken we elkaar aan. Even helemaal hulpeloos. Het stuwmeer achter onze ogen loopt alsmaar voller. H. kijkt verslagen neer. Ik wend me naar de muur en slik snik-opwellingen weg. Zo’n jong leventje, gesmoord in de kiem! De dierenarts grijpt achter zich en rijkt ons een tissue aan. Snot druipt inmiddels uit mijn neus over mijn bovenlip en kin. Ik snuit alsof ik verkouden ben en hoop daarmee mijn verdriet te verbloemen. Maar eigenlijk schaam ik me nu, onder deze omstandigheden, niet meer voor mijn emotie. En H. evenmin.

Pipa ligt in mijn armen. Slap en willoos. Zo ontspannen heb ik haar niet eerder gezien. De eerste injectie werkt snel, ook al piept en keft ze kort maar heftig van de prik. Ik druk haar zacht tegen me aan. Aan haar snorhaartjes zie ik dat ze zacht ademt over haar zwarte hartvormige neusje. Of we een pootafdrukje willen. Nee hoor. In onze basale emotie heeft sentimentaliteit even geen plek.

The morning after: een stil huis. Waar een bench stond, gaapt een gat. Die leegte slaat een gat in ons hart.”

 

Dit bericht werd ingezonden door Rolf Wennekes. Elke inzender van een ingezonden stuk is verantwoordelijk voor de inhoud van zijn eigen stuk. Opname van een ingezonden stuk betekent niet dat de redactie het eens is met de strekking van het stuk. Anonieme stukken worden niet geplaatst.

 

Reacties

X

Meld je nu aan voor onze nieuwsbrief
Aanmelden